Noord-Amerika 1863

Submitted by Peter on Fri, 05/08/2020 - 15:39
Bomen_1

‘Doe je ogen dicht. Stel je voor dat je op een weggetje loopt…’  De begeleidster zit net als wij op een stoel in de grote kring workshoppers ‘Visualisatie’. ‘Het is een weg in een omgeving waar je je prettig voelt. Zie die weg maar voor je, terwijl je je pad vervolgt.’

Zelf zie ik een kronkelpad dat door een boomgaard loopt. Geen verharde weg, maar een soort pad van boomschors, zoals het in tuinen wel wordt aangelegd. De fruitbomen eromheen zijn niet zo heel groot, maar dragen veel vrucht. Appels. Lichtgroene appeltjes. Ik ga er maar eens voor zitten. Dit visualiseren gaat me goed af en ik vermaak me wel.

Waar ken ik zo’n boomgaard van? Van vakanties van lang geleden toen ik met twee vriendjes uit de straat mee mocht naar de caravan van hun ouders, ergens bij een boer op het Brabantse platteland, diep weggestopt in de boomgaard. Dat zie ik nog voor me, die kleine caravan in het hoge gras, verscholen tussen de appelbomen. Maar een paadje was daar niet. Die vakantie dan dat we met een groep jongeren appels gingen plukken als zomerbaantje en we met houten ladders onze weg baanden door de eindeloze rijen fruitbomen? Dat was heel gezellig, die tijd daar, en op die ladders, tussen de takken en de rijpe appels, zijn een flink aantal verkeringen begonnen. Maar er waren geen kronkelige paden. Wel hele smalle, tussen het gebladerte, maar allemaal strak en recht. Ik weet het niet, en de stem van de begeleidster maant me alweer om verder te gaan.

‘Je komt nu bij een tuin en middenin die tuin is iets met water, een vijver misschien of een fontein. Stel je maar voor hoe die tuin eruit ziet. Wat is dat voor water dat je voor je ziet?’ Bij mij is het een fontein, zo’n groot, rond stenen ding met een soort van hoge bloempot in het midden. ‘Stel je voor dat je dat water ingaat en je helemaal onderdompelt.’

Ik stel het me voor, maar niet nadat ik eerst even mijn oogleden op een kiertje heb opengedaan om naar de groep te kijken. We zitten allemaal netjes rechtop op onze stoelen, de meesten met de handen devoot op hun knieën, hun ogen dicht. Het is een gemêleerd gezelschap dat zich deze middag heeft verzameld in een groot klaslokaal van een universiteitsgebouw in de Utrechtse binnenstad. Allemaal willen we kennismaken met de visualisatietechnieken van onze begeleidster. Sommigen willen het zelf gaan toepassen in hun praktijk als therapeut, anderen zijn alleen maar nieuwsgierig. De meesten zijn vrouwen, en van de vrouwen is het merendeel nog best jong. De weinige mannen zijn stukken ouder. Ik sluit mijn ogen voor het feit dat ik daar bij hoor.

‘En als je helemaal ondergedompeld bent, stel je je nu voor dat je weer uit dat water omhoog komt als diegene die te maken heeft met de vraag die je jezelf hebt gesteld.’  Ik stel het me voor, helemaal onder water in die fontein. Helder water. Verfrissend. En dan omhoog, me afzettend tegen de bodem om als een speer omhoog naar de oppervlakte te schieten. Ik klim eruit, over de stenen rand heen, en doe wat me opdragen wordt.

‘Kijk naar je lichaam. Naar je voeten, naar je handen. Wat zie je?’

Ik Kijk met verbazing. Ik zie zwarte voeten. Zwarte handen. Een krachtig lijf van wat een tamelijk jonge, zwarte man moet zijn. Wauw, denk ik. Dat is raar. Zelf ben ik blank, en ook nog eens van het extra bleke soort. Wat maakt dat ik een zwarte man visualiseer? De vraag die ik me heb gesteld, zoals ons opgedragen voor de sessie begon? Want wat had ze gezegd: ‘Doe je ogen dicht en denk aan een kwestie die nu in je leven speelt en die je graag opgelost wil zien.’ Dat was de opdracht geweest. ‘Stel jezelf de vraag: hoe kan ik dit oplossen?’ Mijn vraag had te maken gehad met mijn twijfels of ik mijn carrière moest voortzetten of een heel andere richting op moest gaan. Of ik nog wel iets aan de wereld had bij te dragen. Of moest bijdragen. Of dat mijn eigen kleine wereld mijn aandacht ook hard nodig had. Mijn zoon die een eigen richting zoekt. De ouderen in onze families. Maar wat heeft die zwarte man ermee te maken?

‘Je ziet je eigen lichaam zoals het uit dat water is gekomen, en nu kijk je op naar je omgeving. Je ziet weer een weg of een pad. Stel je voor hoe het eruit ziet.’  Ook die kost me geen moeite. Ik zie een soort landweg van grijs gruis een heuvel op lopen. Een rechte weg met aan weerszijden dichte bossen. Om de een of andere reden waan ik mij in Noord-Amerika, ergens in de 19e eeuw.

Dat van die weggetjes, dat ken ik wel. Het had onderdeel uitgemaakt van psychologische testen die vroeger heel erg in waren geweest. Ook toen begeleidde iemand de visualisatie door een aantal vragen voor te lezen die alle deelnemers dan voor zichzelf beantwoordden. Je loopt op een weg. Wat is het voor een weg? Je ziet een huis staan? Wat is het voor een huis? Er ligt een sleutel op de weg. Wat is het voor een sleutel? En jouw eigen persoonlijke invulling zei dan iets over je geestelijke gesteldheid van dat moment. Wanneer hadden we die spelletjes gedaan? Op de jeugdsoos in ons dorp, wist ik nog. Daar werden voor de jongeren weekendjes georganiseerd met allerlei groepsactiviteiten. Ik vond de nachtelijke droppings altijd het mooist, als we in kleine groepjes onze weg terug moesten vinden door de weilanden en over allerlei kronkelweggetjes en boerenlaantjes. Heerlijk spannend was dat voor de dertien- veertienjarigen die we waren. En gedurende die weekenden, op de slaapzalen waar we lagen en de jongens en de meisjes elkaar opzochten, deden we dan van die testen. Dat moest, zeker op die onzekere leeftijden, iets magisch hebben gehad, om zo met elkaar te ontdekken wie we waren en wat we ons van het leven voorstelden. Diezelfde soort testen hadden we ook gedaan op die fruitplukvakanties in Duitsland en Frankrijk, met groepjes van jongeren uit een aantal landen die ’s avonds bij het kampvuur hun verwachtingen deelden. En ondertussen kozen wie van de andere sekse in ieder geval die zomer aan de verwachtingen voldeed. Ik had de testen zelf niet bewaard en daar altijd spijt van gehad. Misschien was het wel een van de redenen dat ik hier nu zat. Op zoek naar de magie van weleer.

Op instructie van de begeleidster volg ik de grijze weg voor mij de heuvel op. Het geeft me wel een kalm gevoel. Dit is een rustige wereld. Landelijk. Eén met de natuur die tot zover het oog reikt overweldigend aanwezig is.

‘Je komt nu aan op een plek of bij een gebeurtenis die bepalend is voor de persoon die je nu bent.’ Ook die instructie lijkt me geen moeite te kosten. Ik zie mezelf aankomen bovenop de heuvel, neerkijkend op een groot plein waarop zich talloze mensen aan het verzamelen zijn. Ook ik ga erheen. Zijn het allemaal zwarte mensen? Ik weet het niet zeker. Eerder een mengelmoes van rassen en alle mogelijke schakeringen ertussen. Er zijn soldaten, zie ik. De indruk van Noord-Amerika in de 19e eeuw wordt versterkt door de uniformen van de soldaten. Misschien is wat ik zie ten tijde van de burgeroorlog, maar wel in de noordelijke staten. Ik ken mijn geschiedenis: grijs voor het Zuiden, blauw voor het Noorden. Maar wat is er gaande? Ik krijg de indruk dat er soldaten worden geronseld. Zwarte soldaten! En mijn zwarte ik weet: dit is dé gebeurtenis van deze tijd. Hier wordt geschiedenis geschreven. En hij weet dat hij erbij moet zijn. Op dat moment ontwaar ik in de menigte ook een vrouw. Een hele mooie, zwarte vrouw. Alsof ze mijn beslissing van mijn gezicht heeft kunnen aflezen, is er een groot verdriet over het hare gekomen. Ik zie het. Voel een acute spanning door al mijn vezels heen trekken. Haar handen rusten op haar buik. Ze is zwanger. Ze is zwanger van ons kind, weet ik.

Ik bedenk me dat de beelden waar ik in opga mijn besef van tijd vertroebelen. Ik kijk weer even door de spleetjes van mijn ogen. De meesten van ons zitten nog braaf in hun eigen verhaal. De begeleidster kijkt rond, alsof ze aan de gezichten kan zien wanneer het tijd is om door te gaan. Maar er zijn er ook die al met de ogen open zitten, sommigen een beetje verongelijkt. Blijkbaar werkt het niet voor iedereen. Maar daar staat tegenover dat niet iedereen voor hetzelfde is gekomen. Er zijn eerder die ochtend ook allerlei ontspanningsoefeningen geweest waar ik zelf de grootste moeite mee had gehad, vooral die waarbij we in kringetjes moesten gaan staan om met al onze ledematen te zwaaien en oerkreten uit te stoten. Dat zou ons verlossen van alle dagelijkse zorgen, van het keurslijf waar we in zitten. Gelukkig waren de anderen in mijn kringetjes er zo in opgegaan dat het ze niet was opgevallen dat ik maar heel slapjes zwaaide en kreten slaakte die nog geen muis hadden weggejaagd, laat staan de reus in mij hadden wakkergemaakt – of wat ook het verhaal was geweest. En onze begeleidster, wat had ze staan wapperen met haar bos blonde haren, onderwijl rare gorgelgeluiden uitstotend. Ik mocht haar graag en bewonderde haar inzet en enthousiasme, maar wist vanaf dat moment ook meteen dat wij in parallele werelden leefden. Ze had er lol in, zoveel was me wel duidelijk, maar ik voelde zelf vooral plaatsvervangende schaamte. En dat zou in de middag niet anders zijn, wist ik al, als sjamanistische rituelen nog meer ontspanning en inzicht moesten brengen. Pas daarna kwam weer een onderdeel dat mij kon bekoren: met een penseel of een potlood ons innerlijk aan het canvas toevertrouwen. Dat wilde ik wel. Daar was ik eigenlijk voor gekomen. Dat deze visualisatie-oefening mij zo goed af ging en zoveel opleverde dat me nog lang zou bezighouden, dat was onverwachts.

‘Ga nu naar de laatste ogenblikken van deze persoon. Zie hoe dit leven eindigt.’

Ik zit weer in mijn verhaal. Is het een echt verhaal? Heeft die zwarte man ooit geleefd, misschien in die tijd, 150 jaar terug, zoals ik vermoed? Heeft hij dienst genomen in het Noord-Amerikaanse leger om te vechten voor de afschaffing van de slavernij? En die vrouw, die prachtige vrouw? Heeft hij haar alleen gelaten? Ik zal het antwoord nooit met zekerheid kunnen geven weet ik, maar ik zie hem op zijn sterfbed liggen, in een klein huisje. Niet rijk, niet arm. Hoewel zijn tijd mij vreemd is, lijken de omstandigheden waarin hij verkeert me gewoon. Ik voel dat hij een gelukkig man is. Trots. En naast hem zit een jongeman. Zijn zoon. Ook een trotse, sterke jongen. De laatste ogenblikken zijn dus niet slecht.

Dan zie ik hem sterven. Zijn zoon zakt ineen met zijn armen en zijn hoofd op het lichaam van zijn vader. Maar waar is zij? Waar is de vrouw die mogelijk, waarschijnlijk die jongen op de wereld had gezet toen hij ver van huis geschiedenis aan het schrijven was? Ik zie haar niet en weet het niet. Maar iets zegt mij dat mijn zwarte man een te groot deel van de geschiedenis op haar schouders heeft gelegd.